// Beschutting op de weide

De weide is dé plaats bij uitstek waar paarden zich “thuis” voelen. Veelal verblijven ze er in groep, hetgeen tegemoetkomt aan hun natuurlijke behoeften als kuddedier. De weide is als het ware het natuurlijk biotoop van het gedomesticeerde paard. Het hoeft niet te verwonderen dat paarden over het algemeen de voorkeur geven aan de relatieve vrijheid op de weide boven, het naar menselijke maatstaven, op het eerste zicht hogere comfort in een stal of schuilhok.

Paarden waar sportprestaties van verwacht worden, zullen uiteraard in andere omstandigheden gehouden worden dan fokmerries of recreatiepaarden. Sportpaarden zullen over het algemeen (gedeeltelijk) op stal gehouden worden. Zij krijgen een optimale voeding en training. Een paddock kan hen ontspanning geven.

Ons gematigd klimaat laat toe dat paarden het overgrote deel van het jaar buiten verblijven. Als ze met een dikke wintervacht op stal gehouden worden, zal dit vaak meer gezondheids- en welzijnsproblemen meebrengen dan wanneer ze op de weide blijven.

Staan uw paarden permanent op de weide? Dan moet u sinds 10 januari 2013 verplicht de mogelijkheid hebben om deze paarden op te stallen. Heeft u die mogelijkheid niet, dan moet er op de weide beschutting voorzien zijn, ofwel in de vorm van een schuilhok, ofwel in de vorm van natuurlijke beschutting.

Meer info

 

Welzijn op de weide

Het is uiteraard essentieel dat er ook op de weide voor de paarden gepast voeder, voldoende water en verzorging voorhanden is. Bij hoge temperaturen kunnen paarden tot 60 liter per dag drinken, maar vergeet zeker ook niet dat ze ook in de winter nood hebben aan voldoende drinkwater.
» Klik hier voor een online dossier met diverse tips en richtlijnen rond paarden op de weide.

Raad voor dierenwelzijn: Richtlijnen en folder

In 2011 stelde de Raad voor Dierenwelzijn, na constructief overleg waarbij ook het Vlaams Paardenloket (nu PaardenPunt Vlaanderen) werd betrokken, richtlijnen op voor het houden van paardachtigen in de weide.  Hierbij werd er rekening mee gehouden dat de behoeften van paardachtigen sterk afhankelijk zijn van het ras, de leeftijd en andere individuele variaties.

De richtlijnen zijn een leidraad voor de inspecteurs van de Inspectie Dierenwelzijn van de FOD Volksgezondheid bij controles over het naleven van de wetgeving inzake dierenwelzijn en vormen natuurlijk ook een goed kader voor iedereen die paarden op de weide houdt.
Hieronder kan u de originele, door de Raad voor Dierenwelzijn gepubliceerde, richtlijnen en een folder van de FOD Volksgezondheid downloaden. 

Paarden op de weide | Advies en richtlijnen Raad voor Dierenwelzijn:  
Lees online   of   Download

Paarden op de weide | Folder FOD Volksgezondheid:  
Lees online   of   Download

Presentatie Prof. Dr. Frank O. Ödberg (UGent)

Hieronder kan u een presentatie downloaden van etholoog Prof. Dr. Frank O. Ödberg. Deze gaat dieper in op de situaties waarin paarden beschutting zoeken op de weide, de keuze van een geschikt schuilhok en mogelijke problemen die gepaard kunnen gaan met verschillende vormen van beschutting.

Presentatie: Weidegang en Welzijn | Prof. Dr. Frank O. Ödberg (UGent):  
Lees online   of   Download
BewarenBewarenBewaren

» Volgende pagina

1. Dierenwelzijn: Overzicht reglementering

Wetteksten

De reglementering aangaande het huisvesten en voeden van weidedieren vinden we terug in de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren.

 

Links naar de volledige wetteksten

» 14 AUGUSTUS 1986. - Wet betreffende de bescherming en het welzijn der dieren - Dierenwelzijnswet
» 27 DECEMBER 2012. - Wet houdende diverse bepalingen inzake, CITES, dierengezondheid en bescherming van de gezondheid van de gebruikers


Belangrijke passages ivm beschutting

Artikel 4 § 1. "Ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, moet de nodige maatregelen nemen om het dier een in overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domesticatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen."

§ 2/1. "De paardachtigen die buiten worden gehouden, kunnen opgestald worden of, indien dit niet het geval is, beschikken over een natuurlijke beschutting of een schuilhok."

§ 2. "Niemand mag de bewegingsvrijheid van het dier dat hij houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, zodanig beperken dat het aan vermijdbare pijnen, lijden of letsels is blootgesteld. Wanneer het dier gewoonlijk of voortdurend wordt vastgemaakt of opgesloten, moet het voldoende ruimte en bewegingsvrijheid krijgen, in overeenstemming met zijn fysiologische en ethologische behoeften."

§3. "De verlichting, de temperatuur, de vochtigheidsgraad, de verluchting, de luchtcirculatie en de overige milieuvoorwaarden van het verblijf der dieren moeten overeenstemmen met de fysiologische en ethologische behoeften van de soort."

» Volgende pagina

2. Dierenwelzijn: De reglementering nader bekeken

Paarden kunnen zich uitstekend aanpassen aan de koude, op voorwaarde dat ze niet verzwakt zijn (door ziekte of ouderdom) en dat hun vacht niet geschoren is. De vacht van de paarden past zich geleidelijk aan de seizoenen aan. Bij plotse klimaatsveranderingen is waakzaamheid geboden.

De behoeften aan beschutting variëren ook naargelang het ras, de leeftijd en de gezondheidstoestand van het paard. Paarden met een dikke vacht zoals Belgische Trekpaarden en Ijslanders zullen niet snel schuilen voor de kou, terwijl Arabische Volbloeden minder vlug de zon zullen ontvluchten. Zeer jonge, oude of zieke dieren dienen wanneer de weersomstandigheden het noodzakelijk maken in een box of een stal ondergebracht te worden. Ons gematigd klimaat laat toe dat paarden het overgrote deel van het jaar buiten verblijven. Het binnenhalen van paarden met een dikke wintervacht zal over het algemeen meer gezondheids- en welzijnsproblemen meebrengen dan het buitenlaten. Daarbij mag uiteraard wel niet uit het oog verloren worden dat aangepast voeder en voldoende water ter beschikking moet staan. De mogelijkheid te schuilen verhoogt het welzijn van de paarden.

Het ruime wettelijk kader laat toe bij de beoordeling van de noodzaak van beschutting het gezond verstand te laten primeren. Zo zal men op een slechts sporadisch gebruikte weide, dicht bij de stal, minder geneigd zijn een schuilhok te bouwen, dan op een verder afgelegen weide, waar de dieren permanent lopen. Hagen en bomen kunnen nuttige natuurlijke beschutting bieden. Bij het bouwen van een schuilhok dient aandacht besteed te worden aan voldoende verluchting. De noden zijn anders in de zomer dan in de winter. Ideaal zijn moduleerbare systemen. In de zomer is een schuilhok met een goed geïsoleerd dak zonder zijkanten ideaal. In de winter is beschutting zowel langs boven als langs de zijkant van belang, zonder dat ook dan een goede verluchting mag veronachtzaamd worden. Gelet op de strikte hiërarchie bij paarden kan het schuilhok beter breed dan diep zijn. Van fundamenteel belang is ook dat het een droge bodem heeft.
De nood aan beschutting hangt af van verschillende factoren: temperatuur, windsnelheid, sneeuw, zon, insecten, … Deze factoren spelen slechts zelden op zichzelf een rol. Mits paarden met een dikke wintervacht over gepast voedsel en voldoende drinken beschikken, zullen ze er op een zonnige maar koude winterdag wellicht blijer bijlopen in een besneeuwde weide dan in een box. Paarden zullen voornamelijk beschutting opzoeken bij hevige zon, gepaard met veel insecten en bij een combinatie van wind en ijsregen. Over het algemeen zullen ze dankzij hun uitstekend isolerende pels geen hinder ondervinden van kou, mits ze beschikken over een droge bodem.

Beschutting op de weide laat toe dat de dieren de schaduw opzoeken, schuilen voor wind en regen, en een droge en comfortabele plaats vinden. Bomen en hagen kunnen een natuurlijke beschutting vormen.

» Volgende pagina

3. Dierenwelzijn: Bevoegde instanties

Eigenaar

In de eerste plaats moet de eigenaar zelf instaan voor het welzijn van zijn of haar dieren. Die heeft er immers alle belang bij ze goed te verzorgen, juist te voeden en een degelijke beschutting te bieden.

Indien u mogelijke wantoestanden op gebied van dierenwelzijn vaststelt, is het in de eerste plaats de eigenaar die u hierop kan aanspreken.

Mogelijk berust de veronderstelde verwaarlozing op een vergissing. Er zijn bijvoorbeeld klachten over de slechte gezondheidstoestand van paarden gekend, waarbij de betrokken dieren, eens nader bekeken, zeer goed verzorgd bleken te zijn maar gewoon een meer dan gezegende leeftijd bereikt hadden.
 
Indien er werkelijk problemen rijzen, is het aan de overheid om tussen te komen en zo nodig op de treden. Het is dan ook bij de bevoegde overheidsdiensten dat u terecht kan/moet voor klachten over dierenverwaarlozing:
 

Inspectiedienst Dierenwelzijn en klachtenformulier

De inspectiedienst Dierenwelzijn beschikt over bevoegd gespecialiseerd personeel om in te grijpen wanneer het dierenwelzijn in het gedrang zou komen. Deze personen zijn ideaal geplaatst om te oordelen of er al dan niet een probleem is en hoe dit kan opgelost worden.

Contactgegevens
Adres: Dienst Dierenwelzijn | Diensten Algemeen Regeringsbeleid | Boudewijnlaan 30, bus 20; 1000 Brussel
Tel: 1700
E-mail: dierenwelzijn@vlaanderen.be
» Klik hier om naar de website te gaan.
 
Meldingen
Gevallen van dierenmishandeling of -verwaarlozing kunnen gemeld worden via een webformulier.
» Klik hier voor het webformulier.

 

FAVV

Ook het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) heeft bevoegd en gekwalificeerd personeel dat te bereiken is via:


Lokale politie

Indien een eigenaar zijn dieren blijft verwaarlozen, kan ook de lokale politie ingrijpen.

» Volgende pagina

4. Ruimtelijke ordening: Reglementering

Voor het bouwen zowel van een stal als van een schuilhok is in principe een vergunning vereist. De criteria om deze te kunnen bekomen zijn strikter voor een stal dan voor een schuilhok.
Gedetailleerde informatie met de geldende reglementering over ruimtelijke ordening en vergunningen vindt u terug op de themapagina "Bouwen en milieu".
» Klik hier om naar de themapagina "Bouwen en milieu" te gaan.

Dit dossier verwijst verder naar onderstaande besluiten en omzendbrieven:
Klik op de titels om de volledige teksten te openen.


Bewaren

» Volgende pagina

5. Ruimtelijke ordening: Schuilhokken onder strikte voorwaarden vrijgesteld van stedenbouwkundige vergunning

Onder strikte voorwaarden heeft u sinds eind 2016 geen vergunning meer nodig voor schuilhokken met een oppervlakte tot 40 m2 (per aaneengesloten groep van percelen in één eigendom). Voordien waren schuilhokken slechts vrijgesteld als ze niet groter waren dan 20 m2. Uiteraard zijn er wel wat bijkomende voorwaarden.
Dit is het gevolg van een wijzigingsbesluit dat de Vlaamse Regering op 15 juli 2016 goedkeurde en dat in werking trad op 29 september 2016. Het wijzigt het "Besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is".

Strikte voorwaarden

Voor de paardensector is vooral van belang dat schuilhokken voor weidedieren vrijgesteld zijn van stedenbouwkundige vergunning, voor zover ze niet liggen in ruimtelijk kwetsbaar gebied, met uitzondering van parkgebied,  en dit onder volgende voorwaarden:
  • De schuilhokken hebben houten wanden, een maximale hoogte van drie meter en minstens één volledig open zijde.
  • De totale oppervlakte is beperkt tot veertig vierkante meter per aaneengesloten groep van percelen in één eigendom.

De toegelaten oppervlakte voor het plaatsen van schuilhokken zonder stedenbouwkundige vergunning wordt dus verdubbeld van 20 tot 40 m². Dit geldt vanaf nu per goed zodat er meerdere schuilhokken zonder vergunning kunnen worden opgericht, als de totale oppervlakte onder de 40 m² blijft.

Ruimtelijk kwetsbaar gebied

Deze vrijstelling geldt, zoals eerder vermeld, niet in ruimtelijk kwetsbaar gebied (met uitzondering van parkgebied). De Ruimtelijk kwetsbare gebieden worden opgesomd in de VCRO (Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) in artikel 1.1.1.:

a) de volgende gebieden, aangewezen op plannen van aanleg :
1) agrarische gebieden met ecologisch belang,
2) agrarische gebieden met ecologische waarde,
3) bosgebieden,
4) brongebieden,
5) groengebieden,
6) natuurgebieden,
7) natuurgebieden met wetenschappelijke waarde,
8) natuurontwikkelingsgebieden,
9) natuurreservaten,
10) overstromingsgebieden,
11) parkgebieden,
12) valleigebieden,
b) gebieden, aangewezen op ruimtelijke uitvoeringsplannen, en sorterend onder één van volgende categorieën of subcategorieën van gebiedsaanduiding :
1) bos,
2) parkgebied,
3) reservaat en natuur,
c) het Vlaams Ecologisch Netwerk, bestaande uit de gebiedscategorieën Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling, vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu,
d) de beschermde duingebieden en de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, aangeduid krachtens artikel 52, § 1, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.

 

In dit ruimtelijk kwetsbaar gebied (met uitzondering van parkgebied) is voor de bouw van een schuilhok steeds een stedenbouwkundige vergunning vereist.

» Volgende pagina

6. Ruimtelijke ordening: Onder strikte voorwaarden ook stal vrijgesteld van stedenbouwkundige vergunning

Onder de in het vrijstellingsbesluit omschreven zeer strikte voorwaarden, kan ook de bouw van een stal vrijgesteld zijn van stedenbouwkundige vergunning.

Het vrijstellingsbesluit bevat immers de navolgende passage dewelke ook van toepassing is op het bouwen van stallen voor paarden:

"Art. 2.1. Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de volgende handelingen:

11° van het hoofdgebouw vrijstaande niet voor verblijf bestemde bijgebouwen, met inbegrip van carports, in de zijtuin tot op 3 meter van de perceelsgrenzen of in de achtertuin tot op 1 meter van de perceelsgrenzen. De vrijstaande bijgebouwen kunnen in de achtertuin ook op of tegen de perceelsgrens geplaatst worden als ze tegen een bestaande scheidingsmuur opgericht worden en als de bestaande scheidingsmuur niet gewijzigd wordt. De totale oppervlakte blijft beperkt tot maximaal 40 vierkante meter per goed, met inbegrip van alle bestaande vrijstaande bijgebouwen. De hoogte is beperkt tot 3 meter.
"

» Volgende pagina

7. Ruimtelijke ordening: Omzendbrieven inzake schuilhok en stal voor niet professioneel gebruik

De richtlijnen voor een schuilhok, en voor een stal voor niet professioneel gebruik, vindt u terug in de omzendbrieven van respectievelijk 8 juli 1997 en 25 januari 2002. Anders dan schuilhokken op geïsoleerde weiden, dienen stallingen in principe opgericht te worden bij de woning van de aanvrager. Alleen wanneer daarvoor om ruimtelijke of om milieuhygiënische redenen de stedenbouwkundige vergunning uitgesloten is, kan de oprichting van een tijdelijke stalling op een weide, los van de woning van de aanvrager, toegestaan worden.

7.1 Karakteristieken van een schuilhok

Een schuilhok is een eenvoudige constructie, waarin één of meer weidedieren tijdelijk kunnen verblijven. Schuilhokken zijn geenszins uitgerust zoals stallen, die bestemd zijn voor het permanent huisvesten van dieren.

De voormelde omzendbrief van 8 juli 1997 geeft aan onder welke omstandigheden schuilhokken in graasweiden voor grazende dieren kunnen worden opgericht en vergund. Niet alleen het agrarisch gebied komt hiervoor in aanmerking, maar ook in groengebieden, parkgebieden en woongebieden kunnen ze toegestaan worden.

Volgende voorwaarden moeten samen vervuld zijn:

  • "De te bouwen schuilhokken moeten worden opgericht in graasweiden, die ruimtelijk geïsoleerd zijn van het bedrijf of de woonplaats van de aanvrager.
  • De aanvrager moet effectief dieren houden, dan wel zijn grond ter beschikking stellen van iemand die effectief dieren houdt. Hierbij is het niet van belang of de aanvrager al dan niet een volwaardig landbouwbedrijf uitbaat.
  • De op te richten constructie dient ondubbelzinnig alle eigenschappen te vertonen van een schuilhok. Dat moet blijken uit de beperkte afmetingen, de eenvoud van de constructie (met één zijde grotendeels of volledig open en ten allen tijde met eenvoudige middelen volledig verwijderbaar) en de gebruikte materialen (bij voorkeur hout). De omvang van het schuilhok moet ook in verhouding zijn tot de begraasbare oppervlakte en de aard en het aantal dieren waarvoor het bestemd is, zodat a priori geen eenduidige afmetingen vooropgesteld kunnen worden.
  • Tenslotte moet ook het landschappelijke aspect grondig worden bekeken. Men moet bewijzen dat het schuilhok zo goed mogelijk landschappelijk geïntegreerd is. Het gebruik van storende bouwmaterialen is verboden."

De omzendbrief vermeldt verder de instanties die advies moeten verlenen bij aanvragen voor exploitatie van stal(len) in specifieke gebieden:

"
Het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) geeft advies bij aanvragen van stallen in:
  • de ruimtelijk kwetsbare gebieden;
  • de Ramsar-, Vogel- en Habitatrichtlijngebieden;
  • de speciale beschermingszones aangeduid via het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand;
  • de door de Vlaamse Regering voorgestelde habitatgebieden in de zin van de Richtlijn 92/431/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna;
  • de watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als watervogelhabitat, volgens het verdrag van Ramsar 1971, goedgekeurd bij wet van 22 februari 1979, en de voorgestelde uitbreiding van de Ramsargebieden;
  • bosgebieden.

De Afdeling Monumenten en Landschappen van RWO (Ruimtelijke ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed) verleent advies bij aanvragen van stallen in:
  • de beschermde of voorlopig beschermde landschappen en de beschermde of voorlopig beschermde stads- en dorpsgezichten;
  • de gebieden met een statuut als ankerplaats volgens de atlassen van de relicten van de traditionele landschappen."


Aandachtspunten

In tegenstelling tot het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos, is het advies van de afdeling Monumenten en Landschappen van RWO een bindend advies. Zo kan het Agentschap RWO bv. een landschapsherstel eisen, vooraleer gunstig advies te verlenen voor uitbreiding aan een bestaand gebouwencomplex.

De inhoud van een omzendbrief is niet afdwingbaar, zodat de vergunningsverlenende overheid nog altijd dossier per dossier moet interpreteren. De omzendbrief geeft enkel het richtkader aan, lokale en specifieke omstandigheden kunnen een afwijking verantwoorden. Er kunnen dus geen absolute regels worden opgesteld die klaar en duidelijk zijn voor ieder geval.

Door het invoeren van structuurplannen en uitvoeringsplannen verandert het grondgebied in deelbestemmingen. In RUP’s kunnen aparte verwijzingen worden opgenomen. Als er bij de opmaak van deze plannen te weinig kennis is over de paardenhouderij, is de kans groot dat er geen aandacht is voor het fenomeen.
Uit het bouwplan moet duidelijk blijken dat het gaat om een schuilplaats voor dieren tegen de weersomstandigheden en dat het geenszins mag gaan om een constructie die kan gebruikt worden voor verblijf van mensen of permanente stalling van dieren.

Daarenboven moet grondig onderzocht worden of het niet gaat om volwaardige stallen. Met andere woorden: Het schuilhok moet steeds gezien worden als een tijdelijke verblijfsruimte.

Bij de aanvraag kan een beplantingsplan gevraagd worden of kunnen beplantingen opgelegd worden als voorwaarde bij de bouwvergunning, in het bijzonder in de landschappelijk en ecologisch waardevolle agrarische gebieden en de valleigebieden.

7.2 Karakteristieken van een stal

De voormelde omzendbrief van 25 januari 2002 geeft richtlijnen voor de beoordeling van aanvragen om een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen of oprichten van stallingen voor weidedieren, voor niet-beroepslandbouwers.

De omzendbrief van 25 januari 2002 bevat normen voor stallingen voor grazende weidedieren (weidedieren zijn weidebehoevende, grazende dieren zoals paarden, runderen, schapen, geiten, ezels, enz.) die bestemd zijn voor het permanent onderbrengen van deze dieren. De bepalingen van deze laatste omzendbrief gelden in eerste instantie voor aanvragen binnen agrarische en landschappelijk waardevolle agrarische gebieden, groengebieden, parkgebieden en woongebieden. Hij kan echter ook worden gehanteerd voor aanvragen in andere gebieden, waar in principe ook landbouwbedrijvigheid is toegestaan. Op die manier overschrijdt hij ruimschoots het toepassingsgebied van de omzendbrief van 8 juli 1997.

Een stalling is - anders dan een schuilhok - een omsloten en overdekte ruimte, een houten of stenen gebouw dat dient tot verblijf van weidedieren en waarin één of meerdere van die dieren tijdelijk of permanent kunnen verblijven en/of gehuisvest worden. Uit het bouwplan moet duidelijk blijken dat het om een stalling voor weidedieren gaat en geenszins om een constructie die kan gebruikt worden voor het - zelfs tijdelijk - verblijf van mensen. Een stalling mag worden voorzien van een bergruimte voor voeder en andere nuttige bijhorigheden, waaronder materiaalberging voor het onderhoud van de weide(n) en/of verzorging van de dieren, beperkte mestopslag, enzovoort.

Volgens de omzendbrief gelden volgende uitgangspunten bij het zoeken naar een geschikte inplanting voor een stalling voor weidedieren en bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid ervan:
• Anders dan schuilhokken op geïsoleerde weiden, moeten stallingen in principe opgericht worden bij de woning van de aanvrager. Alleen wanneer om ruimtelijke of om milieuhygiënische redenen de stedenbouwkundige vergunning uitgesloten is, kan de oprichting van een tijdelijke stalling op een weide, los van de woning van de aanvrager, worden toegestaan.

  • "Waar mogelijk maakt men gebruik van bestaande stallingsmogelijkheden op een gedesaffecteerde landbouwbedrijfszetel. Bestaande stallen of andere constructies kunnen zo nodig worden aangepast, omgebouwd of uitgebreid tot een permanente stalling voor weidedieren.
  • Bij woningen in lintvormig woongebied (met landelijk karakter) of in agrarisch gebied moet de stalling in principe binnen de huiskavel opgericht worden en een fysische eenheid vormen met de woning of op korte afstand ervan worden opgericht, binnen de vastgelegde of gebruikelijke bebouwingsgrens (bv. het 50 m diepe woongebied); in dit geval mag het om een permanente stalling gaan.
  • Waar de stalling om ruimtelijke of milieuhygiënische redenen onmogelijk voorzien kan worden bij de woning van de aanvrager, kan een tijdelijke stalling worden toegestaan in de weide van de aanvrager. Er moet dan wel voldaan zijn aan de principes van ruimtelijke inpasbaarheid en het niet overschrijden van de ruimtelijke draagkracht van het gebied. Hierbij zoekt men naar een passende inplantingsplaats, aansluitend bij wegenis, bestaande landschapselementen, zoals bomenrijen, beboste percelen, enzovoort.
  • De inkadering van de stalling op de gekozen site of in het bewuste landschap wordt bevorderd door een passende, streekeigen beplanting.
  • De aanvrager moet effectief weidedieren houden waarvoor de stalling is bestemd. Hij moet beschikken over voldoende graasweiden in eigendom, in pacht of in gebruik. De bewijzen van zowel het hebben van dieren als van voldoende graasweiden, plus een plan dat de ligging ervan aanduidt, moeten aan het dossier worden toegevoegd.
  • De omvang van de stalling moet in verhouding staan tot de aard en het aantal weidedieren waarvoor hij bestemd is en de noodzaak tot stalling. Het niet bindende advies van de Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling van het Departement Landbouw en Visserij spreekt zich onder meer uit over dit aspect.
  • De stalling mag de goede ruimtelijke ordening niet schaden.
  • De omvang van de tijdelijke stalling moet zowel qua volume als qua aantal te stallen dieren beperkt zijn. Deze tijdelijke stalling is immers bedoeld om de houders van enkele dieren voor hobbydoeleinden, die bij hun woonplaats geen mogelijkheid hebben om een stalling op te richten, toch de gelegenheid te geven om een stalling voor hun dieren te voorzien. Niet-beroepslandbouwers die een groot aantal dieren houden, worden in principe verwezen naar een gedesaffecteerde landbouwbedrijfszetel of de bouw van een permanente stalling bij een bestaande woning. Zowel om ruimtelijke redenen als voor het toezicht op de dieren is het immers ongepast om een groot aantal dieren te stallen in een van een bedrijfserf of van een woning geïsoleerd gebouw. Aan de stedenbouwkundige vergunning voor een tijdelijke stalling wordt best de voorwaarde gekoppeld dat de stalling verwijderd moet worden van zodra het gebruik ervan stopt.
  • Aan de inplanting van de stal kunnen eventueel extra voorwaarden op het gebied van beplanting e.d. worden opgelegd."

Het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2003 tot bepaling van de werken en handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van een architect (B.S. 16/07/2003) stelt dat voor de constructie van de stal geen architect moet worden geraadpleegd als de stal met bijbehorende afrastering een maximum oppervlakte heeft van 30 m2. Bijkomende voorwaarden zijn dat de kroonlijsthoogte beperkt moet zijn tot 3 m en de nokhoogte tot 4,50 m. Als bovendien aan een bestaand gebouw wordt aangebouwd, dan mogen deze werken noch de oplossing van een constructieprobleem met zich meebrengen, noch de stabiliteit van de aanpalende gebouwen wijzigen.

De omzendbrief van 25 januari 2002 is concreet en geeft voor grote weidedieren, zoals paarden en runderen, enkele richtcijfers mee:

  • "De weidedieren moeten ter plaatse of in de onmiddellijke omgeving van de stalling over voldoende graasweide beschikken. Richtnorm: 10 a 25 are per dier, met een maximum van 4 grote weidedieren per ha.
  • Afhankelijk van de (schoft)hoogte van het dier, 10 a 15 m2 stallingsoppervlakte per weidedier, met een maximum van 60m2 per ha.
  • 5 à 15m2 voederberging (stro + hooi) per dier; groter toegelaten indien onder het hellend dak.
  • 1 bouwlaag; plat dak, hellend- of zadeldak.
  • De omzendbrief vraagt ook aandacht voor de inpasbaarheid van de stal in de omgeving. Het advies van de voor landbouw bevoegde administratie moet ingewonnen worden om de aanvraag volgens voormelde criteria te beoordelen (zie verder).
  • Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een permanente stalling en een tijdelijke stalling:
    • een permanente stalling: een stalling met een permanent karakter;
    • een tijdelijk stalling: een stalling met een tijdelijk karakter, gebouwd uit eenvoudige en gemakkelijk verwijderbare materialen (te vergelijken met een schuilhok: de tijdelijke stalling geeft door haar constructiewijze een vergelijkbaar beschermingsniveau aan de dieren als de permanente stalling, maar in tegenstelling tot deze laatste wordt ze, zoals een schuilhok, gebouwd uit eenvoudige en gemakkelijk verwijderbare materialen, en dient ze na stopzetting van het gebruik, volledig verwijderd te worden).
  • Door de gevraagde stalling mag de goede ruimtelijke ordening niet geschaad worden. Dit betekent onder meer dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet mag worden overschreden, en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort."

Ingevolge nieuwe inzichten inzake paardenwelzijn wordt aandacht gevraagd voor de voordelen van groepshuisvesting.

De draagkracht van de ruimte wordt omschreven als het vermogen van de ruimte om, nu en in de toekomst, menselijke activiteiten op te nemen zonder dat de grenzen van het ruimtelijk functioneren worden overschreden. De draagkracht van de ruimte bepaalt de maximum omvang en de aard van de activiteiten in een bepaald gebied.


Aandachtspunten

(niet in orde van belangrijkheid opgesomd; geen exhaustieve lijst)


  • aard van de betrokken site (gelegen in een uitgesproken gaaf landschap dan wel een structureel aangetast gebied, ...);
  • • karakter van de betrokken omgeving en graad van bebouwing (gelegen binnen een relatief dichtbebouwde omgeving of huizengroep dan wel totaal solitair gelegen, ...);
  • het al dan niet voorkomen van zonevreemde elementen of gebouwen in de omgeving;
  • ontwikkelingstendensen van het betrokken gebied; aanwezige dynamiek van de landbouwsector (in volle uitbating zijnde landbouwbedrijven dan wel stopzetting ervan, ...);
  • bodemgeschiktheid voor landbouw; bij bestaande gebouwen: geschiktheid van de gebouwen voor (nieuwe) landbouwbedrijven;
  • inplantingsplaats en -wijze en voorgestelde architectuur; inpassing in de omgevende bebouwingstypologie; terreinbezetting;
  • voorgesteld materiaalgebruik;
  • het al dan niet (kunnen) beantwoorden aan relevante opmerkingen, geformuleerd naar aanleiding van het gebeurlijke openbaar onderzoek;

Stallingen zijn geschikt om de dieren permanent te huisvesten. Zij kunnen steeds aanvaard worden bij particuliere woningen als er kan aangetoond worden dat de aanvrager voldoende dieren in zijn bezit heeft en voldoende graasweide heeft (richtlijn: 4 paarden per ha). Op geïsoleerde en onbebouwde percelen zijn stallen in de regel niet aanvaardbaar omdat de open ruimte dient gevrijwaard te worden en omdat een permanent toezicht niet mogelijk is.

» Volgende pagina

8. Besluit: Beschutting op de weide

De reglementering aangaande dierenwelzijn is voldoende ruim om in functie van alle concrete omstandigheden te oordelen of weidedieren over voldoende beschutting beschikken. De seizoenen laten zich inderdaad niet in kalenderdagen vangen en we leven gelukkig in een gematigd klimaat.

Anderzijds is de reglementering inzake ruimtelijke ordening zeer strikt. Het is duidelijk niet de bedoeling dat het agrarisch gebied in het wilde weg vol schuilhokken wordt geplaatst.

De ene reglementering kan aldus in strijd komen met de andere. Zo is in functie van het dierenwelzijn een droge bodem in een schuilhok van fundamenteel belang, wat het aanbrengen van een verharde bodem op aangepast niveau noodzakelijk kan maken. Ook hier zal het gezond verstand oplossing bieden aan concrete problemen.


 

Laatste aanpassing: 28/06/2017 12:06:51 - Bannerfoto © PaardenPunt Vlaanderen - KVM