www.paarden.vlaanderen

De meest beruchte giftige planten, struiken en bomen voor paarden | Brochure Hilde Nelis (UGent)

Vergiftiging van paarden door planten komt regelmatig voor. Meestal gaat het om dieren die te weinig gras ter beschikking hebben, uitgebroken zijn of – door onwetendheid – giftig snoeiafval te eten gekregen hebben. De symptomen kunnen zowel de acute dood zijn als vaag en chronisch van aard blijven – en dus moeilijk te onderscheiden zijn van bv. maag-darmwormproblemen.
Een behandeling is vaak niet mogelijk of komt te laat. Onder het motto beter voorkomen dan genezen is een gedegen kennis van giftige planten, struiken en bomen dan ook onontbeerlijk voor de paardenhouder.

In dit dossier somt Hilde Nelis, dierenarts verbonden aan de vakgroep Voortplanting, Verloskunde en Bedrijfsdiergeneeskunde van de Faculteit Diergeneeskunde (UGent), enkele beruchte planten, struiken en bomen op. De lijst is zeker niet volledig.


1. Omstandigheden waarin paarden giftige planten eten

Veel paarden hebben een natuurlijk instinct dat hen duidelijk maakt welke planten giftig en niet giftig zijn. Bovendien hebben giftige planten meestal een slechte smaak of afstotelijke consistentie. Toch is deze instinctieve afkeer van giftige planten niet altijd waterdicht. Soms gaat het toch mis en worden er door de argeloze dieren giftige planten opgegeten.
Dit kan gebeuren wanneer er onvoldoende gras aanwezig is en de dieren gedwongen worden om naar andere gewassen op zoek te gaan om hun honger te stillen. Sommige paarden ontwikkelen een voorkeur voor planten die niet goed voor hen zijn, zelfs als er voldoende ander voedsel is. Dit kan voortkomen uit hun instinct om een dosis natuurlijke kruiden te eten als ze zich ziek voelen. Ook wanneer de plant om de een of andere reden aantrekkelijk is geworden of zijn onaangename smaak verdwijnt, zoals meestal het geval is na hakselen, drogen of inkuilen, kunnen grote hoeveelheden giftige planten worden opgenomen. Bovendien kunnen dieren in hooi minder goed de planten selecteren. Zo kunnen grote hoeveelheden giftige kruiden, zoals Jacobskruiskruid, met hooi worden opgegeten.

Het grootste aantal vergiftigingen wordt echter vastgesteld, wanneer  tuinafval wordt gevoederd. Snoeiafval van bijvoorbeeld rododendron wordt vlot opgegeten terwijl dieren de struik als dusdanig links laten staan. Ook zijn jonge dieren doorgaans nieuwsgierig en minder kieskeurig en dus sneller geneigd giftige planten op te eten.


2. Paarden versus herkauwers

Over het algemeen zijn herkauwers, dankzij de pens die in staat is aanzienlijke hoeveelheden gif af te breken, minder gevoelig voor gifstoffen dan paarden. Zo zijn herkauwers resistent tegen hoeveelheden vingerhoedskruid die dodelijk zijn voor een paard en zijn ze minder gevoelig voor oxaalzuur bevattende planten zoals rabarber.
Paarden zijn dan weer minder gevoelig voor blauwzuur (HCN) bevattende planten zoals laurierkers wegens de hogere zuurtegraad in de maag.

Of opname van giftige planten daadwerkelijk tot vergiftiging leidt, is afhankelijk van meerdere factoren, met name het type gifstof, de hoeveelheid en het individu. Dieren die melk geven scheiden gifstoffen uit via de melk en zijn daardoor minder gevoelig dan droogstaande dieren.


3. De meest beruchte giftige planten in weiden en hooilanden

Jacobskruiskruid

Jacobskruiskruid, ook wel de stille gele moordenaar genaamd, is een zeer giftige plant die alkaloïden bevat die leiden tot onomkeerbare leverschade. Schapen zouden weinig gevoelig zijn in tegenstelling tot geiten, runderen en paarden.

Vergiftiging komt meestal tot stand door een langdurige opname van de plant. De verse planten worden wegens de heel bittere smaak slechts in uitzonderlijke gevallen of tijdens voedselschaarste opgegeten. Het gevaar schuilt vooral in hooi; de slechte smaak verdwijnt maar de gifstoffen blijven in gedroogde vorm werkzaam. Het accidenteel eten van kleine hoeveelheden zal niet tot ziekteverschijnselen leiden.  Als paarden echter gedurende enkele dagen meerdere kilo’s Jacobskruiskruid eten of dit regelmatig gedurende een lange periode eten kan dit echter wel tot leverschade leiden. Dit zorgt ervoor dat de schade aan de lever opstapelt, hetgeen tot ziekteverschijnselen leidt als de lever sterk is aangetast.
Als de lever niet meer werkt, kan het lichaam lichaamseigen (gif-)stoffen niet meer verwerken waardoor deze zich opstapelen. Behalve galkleurstoffen hoopt zich ook ammoniak op dat normaal bij gezonde dieren door de lever wordt afgebroken. Ammoniakvergiftiging leidt tot aantasting van de hersenen waardoor het dier zich raar gaat gedragen, hetgeen kan variëren van sufheid tot razernij.

Jacobskruiskruid is een tweejarige plant en bloeit in het tweede jaar. Tijdens het eerste jaar groeien de rozetten die het hele jaar door te vinden zijn. 

 

Sint-Janskruid

Sint-Janskruid wordt vaak verward met Jacobskruiskruid, hoewel de gele bloemen en de blaadjes er duidelijk anders uitzien. Bij vergiftiging kan zonnebrand worden waargenomen. Dit wordt veroorzaakt doordat de gifstof (hypericine) zich opstapelt in de huid en deze zeer gevoelig maakt voor zonnebrand (fotosensibilisatie). Voor paarden is 2 kg vers  blad voldoende om symptomen te veroorzaken. 


 








 

Bastaardklaver

Bastaardklaver (Trifolium) komt algemeen voor op eerder zure weilanden.
De giftigheid is het hoogst in de lente en op vochtige weiden.
Langdurige opname leidt tot leverschade en zonnebrand. Meerdere dieren zullen op één weide zonnebrand vertonen.
Dit en de aanwezigheid van bastaardklaver wijst op vergiftiging door deze plant.


4. Giftige planten in wegbermen, op akkers en in sloten

Heermoes

Heermoes of paardenstaart bevat thiaminase dat vitamine B1 afbreekt. Vooral paarden zijn er, in tegenstelling tot herkauwers, zeer gevoelig voor. Herkauwers produceren immers zelf vitamine B1 in de pens. Een tekort aan vitamine B1 leidt tot hersenschade waardoor verlamming, een wankele gang en beven wordt waargenomen.
De plant is een geduchte boosdoener op natte, zware, kalkarme weilanden en is zeer moeilijk te bestrijden aangezien de wortelstokken ondergronds verder woekeren.

 

Nachtschade

Nachtschade bevat de gifstof solanine, die de rode bloedcellen afbreekt  en de darm  irriteert. Uiteindelijk worden hart  en ademhalingsstelsel aangetast wat leidt tot een fatale verlamming.

Smeerwortel

Smeerwortel is alomtegenwoordig in bermen. Langdurige consumptie leidt tot leverschade.


Waterscheerling

Waterscheerling, beschouwd als de giftigste wilde plant van Europa, komt alleen voor in sloten en op veengronden maar kan ook op weilanden terecht komen na het baggeren van sloten. Een klein stukje wortel is voldoende om een paard te doden.

 




5. Giftige planten en bomen die voorkomen aan bosranden

Eik

Onrijpe eikels en jong eikenblad bevatten looizuur, dat maag en darmen aantast met obstipatie,  (bloederige) diarree en koliek tot gevolg. Er kan ook bloederige diarree ontstaan en de nieren kunnen worden aangetast. Vergiftiging wordt vooral waargenomen na een storm gedurende de zomermaanden, wanneer veel onrijpe eikels en takjes afgewaaid zijn. De meeste dieren eten graag eikels.

Adelaarsvaren

Adelaarsvaren is in alle delen giftig, ook na drogen. Deze plant bevat net als heermoes thiaminase hetgeen tot vitamine B1 tekort leidt na langdurige opname van de plant.

6. Giftige sierplanten, -struiken en -bomen

Taxus

Taxus is de meest giftige struik in West-Europa. Toch is taxus heel populair als haag. Hoewel hagen onaangeroerd worden gelaten, zijn vergiftigingen berucht omdat het nogal eens als snoeiafval door onwetende buurtbewoners aan de dieren gevoederd wordt. Een dosis van 200  gram is al voldoende om binnen het half uur de dood te veroorzaken door hartstilstand bij een paard. Opname van kleinere hoeveelheden veroorzaakt koliek en diarree.

 

Gouden regen

Na taxus is gouden regen de meest giftige sierplant. Vooral de bloemen en de zaden bevatten een gifstof die diarree, koliek en tenslotte verlamming en ademstilstand teweegbrengt.






Acaciaboom

Ook de acaciaboom bevat, vooral in de schors, een zeer sterk gif dat zorgt voor koliek, spierzwakte, verlamming en tenslotte hartstilstand. Vergiftigingen zijn beschreven nadat dieren aan weidepalen van acaciahout knabbelden.


Buxus

Ook buxus is een zeer giftige struik. Opname van 750 g leidt tot een fatale ademhalingsstilstand. Door de afstotelijke geur worden de takken echter zelden opgenomen door goed gevoede dieren.



Rododendron, azalea, pieris en oleander

Rododendron, azalea, pieris en oleander bevatten een sterk zenuwgif dat, afhankelijk van de opgenomen hoeveelheid, symptomen veroorzaakt als speekselen, schuimbekken, knarsetanden,  wankelen en acute dood.



  

 

Laurierkers en cotoneaster

Vergiftigingen met laurierkers en ook cotoneaster treden vooral op wanneer snoeisel binnen het bereik van de dieren komt. Na opname wordt in beide gevallen cyaan geproduceerd hetgeen de  ademhalings stillegt. Voor paarden is dagelijks 500 g laurierkersblad giftig. Symptomen zijn speekselen, ademnood, oplopen, felrode slijmvliezen  en stuipen. Tijdens lijkschouwing ruikt men de typische amandellucht.



7. Bestrijden van giftige planten

Het uitroeien van giftige wilde planten,  eenmaal gevestigd in een weide,  is vaak moeilijk en zinloos. Goed grasbeheer zal er voor zorgen dat de giftige planten verdwijnen. De reden waarom bijvoorbeeld Jacobskruiskruid zo graag in een paardenweide groeit, is de behoefte van een open plekje van de plant om te kunnen kiemen. In een paardenweide wordt de bodem makkelijk verstoord en wordt het gras kort afgegraasd waardoor er snel open zoden kunnen ontstaan.
Het is ook verstandig om ervoor te zorgen dat er geen giftige planten worden aangeplant binnen het bereik van de dieren. Geef ook nooit tuinafval aan dieren te eten of gooi het niet op het weiland. Controleer vóór het maaien of het inweiden het weiland op de aanwezigheid van onder meer paardenstaarten, Jacobskruiskruid, Sint-Janskruid en adelaarsvaren. Bij het massaal voorkomen van bv. Jacobskruiskruid is omploegen en opnieuw inzaaien vaak de enig afdoende methode om deze plant te bestrijden.


8. Om te onthouden

Een behandeling voor vergiftiging door planten is vaak niet mogelijk of komt te laat. Bovendien kan de diagnose moeilijk gesteld worden door de uiteenlopende aspecifieke symptomen. Daarom is voorkomen beter dan genezen. Een gedegen kennis van de mogelijke gevaren van zowel wilde planten als sierplanten is bijgevolg voor de paardenhouder onontbeerlijk.

Auteur

Hilde Nelis, dierenarts verbonden aan de vakgroep Voortplanting, Verloskunde en Bedrijfsdiergeneeskunde, Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Gent

Foto's

© Wikimedia Commons |Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Gent