// Eigendom en verplichte identificatie van paardachtigen

Ga er niet zomaar van uit dat u eigenaar bent van een paard, pony of ezel indien het dier "op uw naam staat" in de centrale gegevensbank of bij het stamboek. Eigendom is immers  een burgerrechtelijk begrip. De encodering in de centrale gegevensbank en de eventuele inschrijving in een stamboek geven hierover enkel een indicatie. In de centrale gegevensbank vindt men de gegevens terug van de houder die zich als dusdanig heeft aangemeld. Indien hierover betwisting zou rijzen is dit een patrimoniaal geschil. Enkel de rechtbanken zijn bevoegd om daarin een beslissing te nemen. De beheerder van de centrale gegevensbank kan in het kader van dergelijke betwistingen - binnen de perken van de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer - informatie verschaffen, maar kan verder niet tussenkomen.

In dit dossier, opgesteld door Jan De Boitselier (jurist en manager van PaardenPunt Vlaanderen), vindt u de principes uit het Burgerlijk Wetboek terug rond de manier waarop u kan aantonen eigenaar te zijn van een paardachtige.
Praktisch gezien wordt u eigenaar van een paard wanneer het eigendomsrecht wordt overgedragen door het te kopen, door het geschonken te krijgen, door inbreng in een vennootschap, ingevolge een huwelijkscontract of door erfenis.
Een andere mogelijkheid om eigenaar te worden van een paard is door natrekking: De jongen van de dieren behoren de eigenaar toe door recht van natrekking (art. 547 BW). Behoudens andersluidende overeenkomst is de eigenaar van de merrie eigenaar van het veulen dat die merrie voortbrengt.
In bijgaande tekst wordt ook de rechtspositie van de bezitter, al dan niet te goeder trouw, vrij uitvoerig belicht, evenals de bewijsregels.

Opgelet: Hou steeds volgende gezegdes in het achterhoofd:

“Wie recht om een paard legt er een paard aan toe.”
“Wie pleit om een paard, behoudt de staart.”


Aarzel niet om de auteur, Jan De Boitselier, te contacteren voor bijkomende vragen.
» Klik hier om contact op te nemen.



» Volgende pagina

1. Verplichte identificatie

De verplichte identificatie van alle paardachtigen in België biedt een waterdicht systeem om gegevens in de centrale gegevensbank te encoderen die worden doorgegeven door de aanvrager tot identificatie. Het betreft hier:

  • de coördinaten van de aangemelde houder
  • de identiteit van het paard, dewelke gecontroleerd wordt door een erkende identificeerder en waarbij het paard gelinkt wordt met een in de hals ingebrachte microchip.

Dankzij dit systeem zijn paarden aan de hand van de microchip steeds traceerbaar en gelinkt met de aangemelde gegevens van de houder. De microchip sluit uit dat eenzelfde paard een tweede maal in de gegevensbank geïdentificeerd kan worden.

Het uitgangspunt van de reglementering is voedselveiligheid. Paarden die door een beslissing van de eigenaar of een medische behandeling uitgesloten worden voor de voedselketen, zullen niet geslacht kunnen worden.

Dankzij dit systeem zijn gestolen paarden beter opspoorbaar. Het systeem biedt ook waarborgen tegen fraude, gezien o.a. ook de leeftijd van het paard geëncodeerd wordt. Groot voordeel is dat de paarden niet dubbel geïdentificeerd kunnen worden, zodat de stamboekpaarden hun stamboekidentiteit houden.

Bij gebrek aan centrale gegevensbanken in de andere lidstaten is het voorlopig niet mogelijk uit te sluiten dat voor ingevoerde paarden een nieuw paspoort wordt aangemaakt. Indien die paarden reeds gechipt waren, zullen ze wel opspoorbaar zijn in de centrale gegevensbank. Overeenkomstig "Verordening (EG) Nr. 504/2008 betreffende de identificatie van paardachtigen" dienen alle EU-lidstaten de identificatiegegevens op een website beschikbaar te stellen.

Indien er een besmettelijke ziekte bij paarden zou uitbreken, zal men in België dankzij de centrale gegevensbank efficiënt kunnen handelen, gezien men voor elk paard beschikt over de gegevens van de houder.

» Klik hier voor meer info over de verplichte identificatie van paardachtigen.

» Volgende pagina

2. Eigendom van een paard

2.1. Principe

Eigendom is een burgerrechtelijk begrip. De encodering in de centrale gegevensbank zal enkel een indicatie geven over de houder van het paard. Indien er betwisting zou rijzen over het eigendomsrecht, dan is dit een patrimoniaal geschil. Enkel de rechtbanken zijn bevoegd om daarin een beslissing te nemen. De beheerder van de centrale gegevensbank kan in het kader van dergelijke betwistingen - binnen de perken van de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer - informatie verschaffen maar kan verder niet tussenkomen.
 

2.2. Wat is eigendom?

"Eigendom is het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken."
Art. 544 Burgerlijk Wetboek


Eigendom is het recht van een rechtssubject om over een zaak (bv. een paard) naar eigen goeddunken te kunnen beschikken.
Het eigendomsrecht kan wel beperkt worden door de wet (bv. de wet op het dierenwelzijn die het beschikkingsrecht van de eigenaar beperkt) of door de rechten van anderen. De eigenaar zal zijn eigendomsrecht ook niet mogen “misbruiken”.
Een eigenaar is meestal maar niet noodzakelijk ook de bezitter van de zaak. Als de zaak namelijk is gestolen of op andere wijze uit het bezit van de eigenaar is ontvallen blijft het eigendomsrecht overeind. De rechthebbende van de eigendom van een zaak wordt eigenaar genoemd.

 

 

2.3. Hoe wordt men eigenaar van een paard?

Praktisch gezien wordt men eigenaar van een paard doordat het eigendomsrecht wordt overgedragen door het te kopen, door het geschonken te krijgen, door inbreng in een vennootschap, ingevolge een huwelijkscontract of door erfenis.

Een andere mogelijkheid om eigenaar te worden van een paard is door natrekking: De jongen van de dieren, behoren de eigenaar toe door recht van natrekking (art. 547 BW). Behoudens andersluidende overeenkomst is de eigenaar van de merrie eigenaar van het veulen dat die merrie voortbrengt.

 

 

2.4. Roerend goed

Een paard is een roerend goed. Het is immers verplaatsbaar (art. 528 BW).


» Volgende pagina

3. Bezit van een paard

3.1. Definitie

"Bezit is het houden of het genieten van een zaak die wij in onze macht hebben of van een recht dat wij uitoefenen, hetzij in persoon, hetzij door een ander die in onze naam de zaak in zijn macht heeft of het recht uitoefent"
Art. 2228 BW.


Bezit is het houden van een goed voor zichzelf. Een bezitter heeft de feitelijke macht over een goed en gedraagt zich alsof hij de eigenaar van dat goed is.

 

3.2. Principes

Bezit onderscheidt zich van houderschap. Een bezitter houdt een goed voor zichzelf, terwijl een houder een goed voor een ander houdt. Onverminderd de feitelijke beschikking die een houder heeft over een goed, weet die houder dat hij niet de bezitter of eigenaar is.

Meestal is de eigenaar ook de bezitter, maar dat hoeft juridisch niet noodzakelijk het geval te zijn. Als iemand namelijk een paard steelt, dan is de bestolene nog wel de eigenaar maar niet langer de bezitter (en dus "eigenaar-niet-bezitter"). De dief is nu "bezitter-niet-eigenaar" van het paard (en dus geen houder). Een dief houdt namelijk het gestolen goed voor zichzelf en kwalificeert zich daarmee als bezitter.

In het dagelijks verkeer is het vaak niet mogelijk om vast te stellen of iemand bezitter of houder is. Als iemand met een paard op stap gaat, dan kan men eigenlijk niet weten of dat paard hem toebehoort (eigenaar-bezitter) of dat hij het van iemand heeft geleend (houder). Toch is het wel belangrijk om dat te weten, want alleen een beschikkingsbevoegde houder mag een goed overdragen (bijvoorbeeld verkopen).

Men verkrijgt bezit door inbezitneming (bijvoorbeeld vinden of stelen), door overdracht (zoals bij koop) of door opvolging onder algemene titel (bijv. erven).

Een belangrijke voorwaarde voor overdracht is dat de overdrager bevoegd is om dat te doen. Een overdracht door een onbevoegde (bijv. een houder of een bezitter-niet-eigenaar (zoals een dief)) is in principe niet rechtsgeldig. In deze situatie is er sprake van heling.

 

 

3.3. Het recht van de bezitter van een paard tegenover het recht van de eigenaar van een gestolen of verloren paard

Artikel 2279 van het BW bepaalt dat met betrekking tot roerende goederen het bezit geldt als titel. Niettemin kan hij die een zaak verloren heeft of aan wie een zaak ontstolen is, gedurende 3 jaar te rekenen vanaf de dag waarop het verlies of de diefstal heeft plaatsgehad, de zaak terugvorderen van degene in wiens handen hij ze vindt; behoudens het verhaal van de laatstgenoemde op degene van wie hij ze bekomen heeft.

Het eigendomsvermoeden in het voordeel van de bezitter, zal slechts spelen voor zover het ingeroepen bezit ter goeder trouw is, niet behept is met een gebrek en dus voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig is.

De artikelen 2279 en 2280 van het burgerlijk wetboek hebben tot doel het conflict op te lossen tussen de buitenbezitgestelde eigenaar en de huidige bezitter van de zaak via een rechtsvordering tot terugvordering. Ze beschermen de bezitter van de zaak waarvan het bezit geldt als titel (art. 2279, eerste lid BW), op voorwaarde dat deze te goeder trouw is.

Uiteraard kan de bestolene steeds teruggave en/of schadevergoeding eisen van de dief, maar vaak is de dief niet meer in het bezit van het gestolen paard.

De eigenaar van een verloren of gestolen paard kan zijn eigendom terugvorderen van degenen in wiens handen het zich bevindt (bezitter te goeder trouw), en dit gedurende drie jaar, te rekenen van de dag waarop het verlies of de diefstal heeft plaatsgehad. Degene die het paard in bezit had, kan verhaal uitoefenen tegen degene van wie hij het bekomen had (art. 2279 BW).

Indien de tegenwoordige bezitter (te goeder trouw) van het gestolen of verloren paard dit gekocht had op een jaarmarkt of op een andere markt, of op een openbare verkoping, of van een koopman die dergelijke zaken verkoopt, kan de oorspronkelijke eigenaar zich het paard niet doen teruggeven dan mits de prijs die de huidige bezitter betaald heeft, aan de bezitter terug te betalen (art. 2280 BW). Indien het paard gekocht werd in de omstandigheden zoals beschreven in art. 2280 BW wordt er van uitgegaan dat de bezitter de herkomst van het paard niet kan kennen.

Goede trouw wordt steeds vermoed en hij die zich op kwade trouw beroept, moet die bewijzen (art. 2268 BW).

De animus domini (de wil om te bezitten voor zichzelf), evenals de goede trouw en de deugdelijkheid van het bezit, moeten niet bewezen worden, doch worden vermoed. Het behoort aan diegenen die de eigendom tegen de bezitter opeisen deze vermoedens om te keren. Hij die zich op het bezit beroept, kan volstaan te bewijzen dat hij de feitelijke heerschappij heeft, wat te bewijzen valt met alle middelen van recht.

Dubbelzinnig bezit volstaat evenwel niet. Het bezit van roerende goederen is dubbelzinnig indien het, gelet op de omstandigheden vatbaar is voor verschillende interpretaties en met name ingeval er twijfel bestaat of de bezitter het goed onder zich heeft als eigenaar dan wel als houder. Zo zal voor paarden die gestald staan bij een manegehouder, zonder dat daarover een schriftelijke overeenkomst werd opgesteld, uit het louter bezit niet ondubbelzinnig kunnen afgeleid worden dat dit gebeurt als louter houder, bewaarnemer of lasthebber. In dat geval zal men zich niet op artikel 2279 BW kunnen beroepen om het eigendomsrecht voor het paard te bewijzen, nu het bezit niet ondubbelzinnig is.
Indien de bezitter niet te goeder trouw is, m.a.w. indien het bezit ongeldig is, verliest hij de wettelijke bescherming van art. 2279 en 2280 BW.


» Volgende pagina

4. Bewijs van eigendom

In de paardensector is het eerder ongebruikelijk om schriftelijke overeenkomsten op te stellen. Dit resulteert regelmatig in betwistingen over het eigendomsrecht van paarden.

Om het bewijs van een handgift te leveren, mogen de begiftigden zich beroepen op art. 2279 BW, mits hun bezit beantwoordt aan de eerder geschetste wettelijke vereisten. Voldoet het bezit niet aan deze vereisten, dan dient het bewijs volgens de regels van het burgerlijk recht te worden geleverd.
Art. 1341 BW voorziet dat er een akte voor notaris of een onderhandse akte moet worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van 375 € te boven gaan. Het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten tegen en boven de inhoud van de akten.
Bij gebreke aan schriftelijk bewijs zal in geval van betwisting van de eigendom veelal geoordeeld moeten worden over de deugdelijkheid van het bezit.

Tussen handelaars gelden er andere bewijsregels:

  • Art. 1329 BW: "Koopmansboeken bewijzen de daarin vermelde leveringen niet tegen personen die geen koopman zijn, behoudens wat met betrekking tot de eed zal worden bepaald."
  •  Art. 1330 BW: "Boeken van kooplieden leveren bewijs op tegen hen; maar hij die daaruit voordeel wil trekken, kan ze niet splitsen met het oog op hetgeen daarin strijdig is met zijn bewering."

  • Art. 20 Wb. Kh.: "Een regelmatig gevoerde boekhouding KAN door de rechter aangenomen worden om tussen kooplieden als bewijs te dienen betreffende handelsverrichtingen."
  • Art. 25. lid 2 Wb. Kh.: "Koop en verkoop kan bewezen worden door middel van een aanvaarde factuur, onverminderd de andere bewijsmiddelen die door de wetten op de koophandel zijn toegelaten. Er wordt door rechtspraak en rechtsleer aangenomen dat ook andere verbintenissen dan koop en verkoop door een factuur kunnen worden bewezen. Een factuur is een schriftelijke buitengerechterlijke bekentenis van de koopman."


Het bewijs in handelszaken is, in tegenstelling tot het bewijs in burgerlijke zaken, vrij zodat het bewijs met getuigen en vermoedens steeds toegestaan is, waarbij de rechter de bewijswaarde hiervan vrij beoordeelt.
Aangezien er in handelszaken geen hiërarchie bestaat onder de bewijsmiddelen, mag er in tegenstelling tot het bewijs in burgerlijke zaken zelfs tegen een akte worden bewezen.

Principieel geldt een ondertekening: "Voor voldaan" op de factuur als een bewijs van de kwijting en dit conform artikel 1332 burgerlijk wetboek. Wanneer de handelaar gaat beweren dat zijn ondertekening een andere betekenis heeft, draagt hij hiervan de bewijslast. Een loutere vermelding van een aftekening per vergissing zal hierbij niet volstaan en een vermoeden kan niet primeren op een schriftelijk bewijs (artikel 1341 burgerlijk wetboek).


» Volgende pagina

5. Verkoop van andermans paard

De verkoop van een anders zaak is nietig. Hij kan grond tot schadevergoeding opleveren wanneer de koper niet geweten heeft dat de zaak aan een ander toebehoorde (art. 1599 BW). Het gaat hier om een relatieve nietigheid, die enkel het privébelang van de koper beschermt en dus enkel door hem kan worden ingeroepen. De koper kan de nietigheid onmiddellijk inroepen, en dient niet te wachten tot hij wordt uitgewonnen door de werkelijke eigenaar. Hij kan de nietigheid inroepen, zelfs al was hij te kwader trouw, en wist hij dus dat de verkoper niet de eigenaar was van de verkochte zaak. Schadevergoeding zal hij echter enkel kunnen krijgen als hij te goeder trouw was, hetgeen uiteraard wordt vermoed.

Noch de verkoper, noch de werkelijke eigenaar kunnen de nietigverklaring van het contract vorderen. De verkoper kan de nietigheid niet inroepen, ook al is hij te goeder trouw, omdat art. 1599 BW enkel de belangen van de koper beschermt. De ware eigenaar kan geen vordering tot nietigverklaring instellen, omdat hij wordt beschermd door de mogelijkheid om een vordering tot revindicatie in te stellen. De ware eigenaar kan ook schadevergoeding vorderen op grond van art. 1382 BW. De relatieve nietigheid kan worden gedekt, door de koper die afstand doet van de mogelijkheid om de nietigheid te vorderen, maar ook door de werkelijke eigenaar die de verkoop goedkeurt.

Indien de verkoper niet de eigenaar is, zou hij zich kunnen sterkmaken voor de eigenaar: "Ik verkoop dit paard en maak mij sterk dat de eigenaar dit zal goedkeuren". Dit brengt natuurlijk een grote onzekerheid mee. Nochtans schept de sterkmaking niet zomaar een middelenverbintenis, maar wordt er een resultaat beloofd. Indien de eigenaar de verkoop goedkeurt of bekrachtigt, dan is de sterkmaker bevrijd en is het contract tot stand gekomen met terugwerkende kracht. Bij niet- bekrachtiging zal de sterkmaker schadevergoeding verschuldigd zijn (art. 1120 BW). Sterkmaking is dus steeds een risicovolle onderneming.

» Volgende pagina

6. Verkoop van een paard door een mede-eigenaar

De mede-eigenaar van een onverdeeld goed mag wel zijn deel verkopen, maar niet het goed zelf. Dit zou een verkoop van andermans zaak uitmaken. De mede-eigenaar kan ook steeds vorderen om uit onverdeeldheid te treden.
 

Auteur

Jan De Boitselier | Manager Beleid en Adviezen vzw Paardenpunt Vlaanderen
jan@paarden.vlaanderen | T: 016 44 20 01


Laatste aanpassing: 15/09/2017 09:41:38 - Bannerfoto © Kathrin39 - photoXpress