// Zomereczeem

Wat is zomereczeem?

Zomereczeem is een chronische seizoensgebonden en elk jaar terugkerende dermatitis. Paarden over de hele wereld zijn aangetast, met een globale prevalentie in alle paardenrassen tussen de 3 en 5%. Zomereczeem kan bij alle paardenrassen voorkomen, maar bepaalde rassen (IJslandse pony, Shetland pony, Welsh pony, Friezen) zijn erg gevoelig voor deze aandoening en men vermoedt een erfelijke predispositie. Bij Shetland pony’s en Friezen in Nederland is de prevalentie van zomereczeem respectievelijk 7,5% en 18,2%, bij Belgische warmbloedpaarden in Vlaanderen 10%.

 

De aandoening wordt veroorzaakt door een overgevoeligheidsreactie type I ten opzichte van speekselantigenen van voornamelijk Culidoides muggen. Culicoides spp. (‘knijten’) zijn kleine mugjes (0,5 - 3mm) die vooral voorkomen in de buurt van water en vegetatie. De larvaire stadia ontwikkelen zich in modder of rottend plantenmateriaal. Vooral in vochtige zomers groeit de populatie mugjes explosief en kunnen ze veel overlast veroorzaken. De mugjes zijn vooral actief tijdens zonsopgang en zonsondergang. Culicoides kunnen niet goed vliegen, dus als er veel wind staat zijn er nauwelijks mugjes. De meeste Culicoides soorten steken zelden dieren op stal.



Foto's



» Volgende pagina

Symptomen zomereczeem

Zomereczeem is een van de meest voorkomende huidallergieën bij paarden. De symptomen openbaren zich vaak vanaf een leeftijd van 3-6 jaar en worden ieder jaar erger als het paard in contact blijft komen met de mugjes. In de winter zijn de paarden (nagenoeg) klachtenvrij. Het meest voorkomende symptoom bij paarden met zomereczeem is een intense jeuk, vooral ter hoogte van de manen en staartbasis, maar ook de buik en het hoofd kunnen aangetast zijn. In het beginstadium ziet men roodheid, papels, schilfers en jeuk. Ten gevolge van het schuren ontstaan er secundaire letsel zoals kale plekken, krabwonden, bloedingen en korstvorming. Hierdoor worden de primaire letsels gemaskeerd, en kunnen deze letsels ook aanleiding geven tot secundaire infecties. Door het voortdurend schuren breken de haren af, waardoor een zogenaamde ‘rattenstaart’ kan ontstaan. In het chronisch stadium worden meer uitgebreide letsels gevonden, waaronder ernstige kaalheid en een verdikte huid.


» Volgende pagina

Diagnose zomereczeem

De diagnose van zomereczeem wordt vooral gesteld op basis van de voorgeschiedenis (ras, terugkerende seizoensgebonden symptomen), het klinisch onderzoek (o.a. lokalisatie van de letsels) en uitsluiten van andere mogelijke oorzaken van ernstige jeuk ter hoogte van de voorkeur-lokalisaties. Bijkomende testen die kunnen helpen om de diagnose te stellen zijn een intradermale huidtest met extracten van Culicoides en het aantonen van antigen-specifieke IgE antilichamen. Bij de intradermale huidtest worden Culicoides allergenen intradermaal ingespoten, wat aanleiding geeft tot het optreden van onmiddellijke huidreacties bij paarden met zomereczeem. Vervolgens wordt de omvang van de reactie gemeten op verschillende tijdstippen (bv. na 30 min en/of 1u en 4u). Er komen echter zowel vals negatieve als vals positieve resultaten voor. IgE antilichamen tegen Culicoides allergenen kunnen in serum of plasma opgespoord worden met behulp van een ELISA test die gebruik maakt van een extract van Culicoides of recombinante Culicoides antigenen. De diagnostische waarde van de ELISA is het hoogst in de periode waarin de symptomen aanwezig zijn.


» Volgende pagina

Behandeling zomereczeem

Er is tot op heden geen efficiënte behandeling van zomereczeem. Corticosteroïden en antihistaminica kunnen gebruikt worden om de allergische reactie te onderdrukken. Het gebruik van corticosteroïden kan op lange termijn echter nadelen met zich meebrengen, zoals immunosuppressie, spieratrofie, osteoporose en laminitis, vooral wanneer ze systemisch worden toegediend. Lokale behandeling heeft daarom de voorkeur. Antihistaminica werken het best wanneer ze preventief toegediend worden voor het begin van het allergieseizoen. Ze werken veel minder eenmaal het allergieseizoen is begonnen. De combinatie van corticosteroïden met antihistaminica kan de dosis van de steroïden helpen reduceren.

 

Hypo- of desensibilisatie bestaat uit opeenvolgende antigeeninjecties, waarbij de dosis gedurende een aantal weken wordt opgedreven. Paarden met zomereczeem kunnen gedesensibiliseerd worden door regelmatige injecties met Culicoides antigen, maar de resultaten zijn erg wisselvallig. Omdat de relevante allergenen in Culicoides extract in een lage concentratie aanwezig zijn en het extract daarnaast nog verschillende andere substanties bevat, is het moeilijk om de dosis en de frequentie van injecties te standaardiseren.

 

Ook het aanpassen van de voeding (minder krachtvoer en eiwit) of het toevoegen van bepaalde voedingssupplementen (bv. omega-3/omega-6 vetzuren en nicotinamide) zou een gunstig effect hebben als (bijkomende) behandeling van zomereczeem bij paarden. Er dient nog verder onderzoek verricht te worden naar de optimale samenstelling van deze supplementen.

 

Daarnaast zijn er ook nog een aantal alternatieve behandelingsmogelijkheden beschreven, zoals homeopathie en acupunctuur. Wetenschappelijke gegevens die de werkzaamheid van deze alternatieve benaderingen aantonen ontbreken echter.

 

Het is belangrijk om contact met de Culicoides muggen zoveel mogelijk te vermijden. Er zijn echter geen goede insecticiden met een lange werking voor paarden beschikbaar. Men kan gebruik maken van pyrethroïden (permetrine, deltametrine) als spray of spot-on. Deze producten zijn niet geregistreerd voor het paard (wel voor runderen). Oormerken met pyrethroïden (gebruikt bij runderen) kunnen aangebracht worden in de manen of de staart. Pyrethroïden hebben echter een korte werking.

 

Preventief kan men de paarden opstallen tijdens de actieve periode van Culicoides (late namiddag en ‘s morgens). De stallen moeten vrijwel hermetisch afgesloten zijn en indien muggengaas gebruikt wordt voor de stalopeningen, moet zeer fijnmazig gaas (> 25 gaatjes/ cm2) gebruikt worden. Het gebruik van ventilatoren in de stal wordt eveneens aangeraden: Culicoides muggen zijn relatief slechte vliegers en zoeken vooral windstille plekken op.

 

Men kan ook een ‘eczeemdeken’ (al dan niet met masker) gebruiken als bescherming tegen de mugjes. Deze dekens geven doorgaans goede resultaten.

 

Verschillende oliën en vetten kunnen op de huid aangebracht worden om het ongemak te verlichten en als fysische barrière tegen de muggen. Toevoeging van citronella of andere plantenextracten zou een afwerend effect hebben op de mugjes, maar de werkzaamheid tegen zomereczeem werd niet wetenschappelijk aangetoond en uit enquêtes blijkt dat de klinische resultaten van deze lokaal aangebrachte producten sterk variëren. Eén van de redenen is dat door het zweten of door regenval de effectiviteit van deze producten vlug vermindert. Daardoor moeten deze producten frequent aangebracht worden, wat niet altijd praktisch haalbaar is.


» Volgende pagina

Conclusie en referenties

Als conclusie kan gesteld worden dat de meest aangewezen manier om momenteel zomereczeem aan te pakken het verminderen van het contact van de paarden met de muggen is door middel van omgevingsmaatregelen. Daarbij is het gebruik van beschermende dekens een belangrijke component. Dit kan aangevuld worden met het lokaal aanbrengen van oliehoudende producten, al dan niet in combinatie met repellentia of insectiden. Een systemische therapie met corticosteroïden mag enkel toegepast worden als de rigoureus toegepaste omgevingsmaatregelen onvoldoende resultaat geven. Voedingssupplementen of rantsoenaanpassingen kunnen voor sommige paarden een bijkomend gunstig effect hebben.

 

 

Referenties

Claerebout E., 2009. Parasitaire ziekten bij huisdieren: Deel 3 - Paard. Cursus Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Gent, Merelbeke.

 

Daamen C., 2016. De wetenschappelijke basis ter identificatie en behandeling van zomereczeem-gevoelige paarden. Masterproef-thesis faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Gent.

 

Deprez P., 2010. Zomereczeem bij paarden. Vraag- en antwoord, Vlaams Diergeneeskundig Tijdschrift 79, 156-157.

 

Peeters, L.M., Janssens, S., Coussé, A., Buys, N., 2014. Insect bite hypersensitivity in Belgian warmblood horses: prevalence and risk factors. Vlaams Diergeneeskundig Tijdschrift 83, 240-249.


Laatste aanpassing: 25/04/2018 13:41:19